Op maandagavond 28 november,
de eerste maandag van de advent,
bidden we om 19.00 uur opnieuw de vespers
in het koorgestoelte van de Sint-Lambertuskerk.

Het is ondertussen een traditie geworden
om dit te doen elke maandag in de sterke tijden (advent en vasten).

Helaas had corona daar in 2020 een stokje tussen gestoken,
maar dit jaar nemen we de draad weer op.
De vespers, van het Latijnse woord ‘vesper’ dat ‘avond’ betekent,
is het avondgebed van de kerk en kent een heel lange traditie.

Al tijdens de Babylonische ballingschap (6de eeuw VC),
wanneer de tempel niet kon gebruikt worden,
gingen de Joden over tot het zingen van psalmen en hymnen.

De handelingen van de apostelen leert ons dat ook de volgelingen van Jezus
op regelmatige uren van de dag bijeen kwamen voor het gebed.
Ook de brieven die Plinius de Jongere in de eerste eeuw na Christus schreef
aan keizer Trajanus tonen aan dat de christenen
op vaste tijden verzamelden om te bidden
en dat het niet om de eucharistie ging.

Bij de kerkvaders in de tweede en de derde eeuw
vinden we geschriften terug over het morgen- en avondgebed
dat individueel of in groep kon gebeden worden.

Vanaf de vierde eeuw werden in de kloosters,
die eerst in het oosten en een eeuw later ook in het westen ontstonden,
dagelijks het volledige psalmboek van 150 psalmen gebeden.
Omdat dit heel veel tijd in beslag nam,
ging men geleidelijk aan het psalterium spreiden over een week
waarbij elke dag op verschillende gebedstijden
enkele psalmen werden gezongen.

De heilige Benedictus ,algemeen als ‘vader van de kloosterlingen’ beschouwd,
had in de zesde eeuw al een gebedsschema opgesteld dat vrij algemeen werd gebruikt.
Na verloop van tijd kwamen er bij die psalmen ook toevoegingen,
zoals antifonen, lofgezangen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament,
Schriftlezingen en korte gebeden bij.

Zo had men uiteindelijk voor het koorgebed
een ganse reeks boeken nodig.
Vrij snel ontstond de idee om een breviarium te ontwikkelen,
zodat niet altijd met een reeks boeken moest gesleurd worden.

Tot aan het Concilie van Trente (1545-1563) kon elke bisschop
een breviarium opstellen voor zijn eigen bisdom en dat gebeurde ook werkelijk.
Daarnaast had ook elke kloosterorde zijn eigen breviarium.

Het is Paus Pius V die in 1568 alle bisdommen verplichte
om voortaan het Romeinse breviarium te gebruiken.
Alleen breviaria die al meer dan 200 jaar in gebruik waren,
mochten nog dienst doen.
Langzamerhand verdwenen de andere breviaria
en bleef alleen het Romeinse brevier over.
Ten gevolge van het Tweede Vaticaans Concilie
werd het getijdengebed van de kerk herzien.
De psalmen werden verdeeld over 4 weken
in plaats van over één week.

Sinds die hervormingen van de liturgie in de jaren 60 en 70
bestaan de rooms-katholieke (Romeinse) vespers uit
een opening,
een hymne,
twee psalmen met antifonen,
een lofzang uit het Nieuwe Testament met antifoon,
een korte lezing uit de Schrift,
een beurtzang,
het Magnificat met antifoon en
slotgebeden waaronder het Onze Vader.

De monastieke vespers verlopen min of meer op dezelfde manier,
maar in plaats van de lofzang uit het Nieuwe Testament,
worden soms meer psalmen gebeden.

Bij zijn wijding tot diaken heeft elke priester en permanent diaken beloofd
het ‘getijdengebed naargelang zijn levensomstandigheden
trouw te vervullen samen met en voor het volk van God’.
Het is dan ook fijn om dit gebed van de kerk
in de sterke tijden samen te bidden in onze moederkerk.

Van harte welkom dus elke maandagavond in de advent om 19.00 uur.

Michel Brasseur