De menswording van God… mijmeringen van de pastoor (4)

Door zelf mens te worden en zijn leven voor ons te geven aan het kruis, heeft God de wereld met zich verzoend. Wij kunnen weer leven zoals Hij het bedoeld had bij de schepping. God had de mens het leven gegeven uit liefde om te delen in de liefde die Hijzelf is. Hij had voor hem een tuin aangelegd in Eden waar de mens mocht genieten van al het mooie dat God hem had gegeven. Al wat goed, mooi en waar is, draagt immers sporen van de Schepper zelf. En toch, al heeft Jezus voor ons het Rijk der hemelen weer geopend, op de voltooiing ervan is het nog wachten. Dat zal pas gebeuren bij zijn wederkomst. 

Ondertussen worden wij uitgenodigd om als ‘verloste’ en ‘vrije’ mensen te leven in een wereld die, zoals Paulus het zegt, zelf nog ‘onder barensweeën lijdt’. Ook hierin is God ons als ‘mens’ willen voorgaan. De wereld waarin Jezus leefde, was niet zo verschillend van de wereld die wij nu kennen. Ook hij leefde in een wereld die overheerst werd door een cultuur waar plaats was voor vele goden. Het Joodse volk probeerde zich daarin te onderscheiden, maar ook zijzelf waren alles behalve eensgezind op velerlei vlakken. Zo geloofden de Sadduceeën niet in de verrijzenis en de Farizeeën wel, hechtten de ene groep veel meer belang aan de letter van de Wet dan de andere en waren er groepen die zich radicaal kantten tegen de Romeinse bezetter terwijl anderen het met hen best konden vinden.

Jezus van zijn kant zal zich niet inlaten met politiek. ‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt’, is zijn antwoord op het politieke vraagstuk van Farizeeën en Herodianen. En als de wetgeleerde hem vraagt wat het allerbelangrijkste gebod is in de wet, vat Jezus de hele wet samen in één enkel gebod: ‘bemin God boven alles en je naaste als jezelf.’ Richt je op God. Zoek sporen van Hem in al wat mooi, goed en waar is. Hecht je aan niets anders dan aan Hemzelf, die liefde is, en wens een ander toe wat je jezelf toewenst. En hij drukt zijn leerlingen op het hart vooral nooit te oordelen. Het oordeel komt alleen toe aan God zelf. Blijf van de boom van kennis van goed en kwaad af! Wanneer de rijke jongeling zich tot hem richt met de aanspreking ‘goede meester’, is zijn reactie zelfs: ‘Waarom noemt u mij goed, niemand is goed dan God alleen.’ 

Jezus leefde vanuit een unieke verbondenheid met God, die Hij ‘Abba’ noemde, en trok zich geregeld terug om alleen te zijn met zijn Vader. Heel zijn leven was op Hem gericht. ‘Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome, Uw Wil geschiede’. En al wat nodig was, werd aan de zorgen van de Vader toevertrouwd. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood, vergeef ons onze schulden en breng ons niet in beproeving’. Zo heeft hij het ook aan zijn leerlingen geleerd. Wanneer hij hen uitzond, drukte hij erop vooral niets mee te nemen voor onderweg. Als je ergens komt, zei hij, laat dan je eerste woord ‘vrede’ zijn.  Zijn het vredelievende mensen, eet dan wat je wordt voorgelegd en blijf daar tot je weer verder trekt. Zijn het geen vredelievende mensen, gaat daar dan weg, maar zorg ervoor dat je zelf de vrede in je eigen hart blijft bewaren. Schud het stof van je voeten. Ook Jezus liet het niet aan zijn hart komen als hij werd aangevallen. Hij ging inhoudelijk geregeld in discussie met wetgeleerden en Farizeeën, maar toen hij werd bedreigd en ze hem in de afgrond wilden gooien, ging hij gewoon tussen de menigte door en verliet de streek. Ook op zijn proces bewaarde hij vooral de stilte. Dit tot ergernis van Pilatus van wiens macht Jezus overigens helemaal niet onder de indruk was.

Jezus bezat de vrijheid om, zoals de Herodianen en Farizeeën het formuleerden, ‘zich aan niemand te storen en de mensen niet naar de ogen te zien’. Hij had aan het begin van zijn openbaar leven Gods stem gehoord die hem ‘zijn geliefde zoon’ had genoemd in wie Hij zijn behagen had gesteld en zal in zijn leven niemand anders willen behagen dan God alleen. Alle evangelisten getuigen dan ook hoe Jezus zich op een bepaald moment zelfs van zijn familie losmaakt. ‘Wie zijn mijn moeder en broers’, klinkt het bij Marcus en Matteüs. Bij Lucas was Jezus al op jonge leeftijd achtergebleven de tempel. ‘Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn’, was zijn antwoord toen zijn ouders hem vonden na drie dagen zoeken. En, ‘vrouw is dat soms uw zaak’, klinkt het bij Johannes op de bruiloft van Kana.

De weg die Jezus is gegaan, riep heel wat tegenkanting op. Verraden door een vriend, verloochend door een ander en door bijna iedereen in de steek gelaten is Jezus dan ook de pijnlijkste dood gestorven. Jezus, die wist wat hem te wachten stond, was vastberaden de weg naar Jeruzalem gegaan. Hij heeft het lijden willen ‘heiligen’ door zelf te delen in de fysieke en psychische pijn die mensen kunnen meemaken. Doordat hijzelf heeft geleden, kunnen wij voortaan ons lijden immers verenigen met dat van Jezus. Het hoéft niet langer een ‘vloek’ te zijn, maar kán nu ook beleefd worden als ‘intieme verbondenheid met Jezus’ op zijn weg naar Golgotha. Voortaan kunnen christenen in het lijden dat hen overkomt, zoals Simon van Cyrene, het kruis van Jezus helpen dragen erop vertrouwend dat niet het lijden, maar de liefde het laatste woord zal krijgen. Opdat het lijden haar fataliteit zou verliezen, ook daarvoor is God mens willen worden. 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *